Ons maatje

i-love-my-dog-quotes-sayings

Zij kwam zoma350ar ons leven binnengesprongen en nam gelijk het mooiste plekje van onze harten in beslag. Terwijl de andere hondjes lui bij moeders bleven liggen toen wij de puppenkamer binnenkwamen, rende zij naar ons toe en begon te springen. Dat springen heeft  ze trouwens nooit afgeleerd.  ‘Ach kijk nou toch, wat een schatje, maar die anderen zijn wel veel mooier,’ zei ik, kijkend naar de spierwitte en bruin/wit gekleurde pups. Echte bullies. Maar die anderen waren al verkocht. Deze  zwarte, met dat rare staartje, vreemde oren en een veel te veel naar voor uitstekende onderkaak wilde niemand hebben. ‘Sorry, het is de enige die over is, ’t is niet moeders mooiste, maar wel heel aanhalig,’  zei de fokster. En terwijl dat zwarte minimonstertje nog steeds om aandacht kefte en op en neer sprong, had ik mijn hart aan haar verloren bij het horen van ‘niet moeders mooiste’. Het klonk me bekend in de oren. Ik pakte het hondje op. Wat was ze blij. Ze gaf me kopjes en probeerde me met dat kleine roze tongetje te likken. De kinderen stonden om me heen. ‘ Mag ik nu mam, we nemen deze toch wel? Kijk eens pap!’ Michel wilde eigenlijk geen hond, maar met 3 voors en 1 tegen was er geen houden aan. ‘Als jullie maar gaan wandelen,’ zei hij steeds. Jaja, natuurlijk zorgen wij wel voor het beestje. Volgens mij vond hij stiekem toch wel leuk.

De vader was een schitterende witte Amerikaanse Bulldog en de moeder een charmante Engelse lady Bull. We noemden onze pup Cezanne, naar de Franse schilder Paul Cézanne. Daar moest toch een mooi kunstwerk uit groeien. Maar hoe ze ook groeide, mooier werd ze beslist niet. Ze leek niet op een Amerikaanse bull maar ook niet op een Engelse. We wisten ook niet goed wat we moesten zeggen als mensen vroegen wat voor soort het was. Ja, een bulldog, of eigenlijk een ‘Old English Bull’ en dan zag je ze kijken, ‘oh, maar geen echt rasje zeker hè?’. Euhh nou ja, eigenlijk wel, alleen een beetje mislukt. Een vriendin van me zei eens ‘Cezanne, je zal de schoonheidsprijs nooit winnen, maar wat ben je lief.’ En dat was ook zo. De jongens konden alles met haar doen. Ze liep ons overal achterna en was altijd enthousiast als er bezoek kwam. Ze kreeg allerlei bijnamen zoals, Balletje, Speklap en Vlees.

Eens had ze bij mijn vriendin op kerstavond de hele kaasvoorraad opgesnoept. Zomaar van de salontafel af gepikt, terwijl wij aan het eten waren. Sindsdien werd ze ook nog Kaas genoemd. Een andere keer was ik mijn cake kwijt die ik zelf gebakken had en midden op de e1488823944321ettafel had gedaan, zodat zij er niet bij kon. Ik liep even de keuken uit, maar toen ik na 10 minuten terug kwam was de schaal leeg. Ik vroeg aan de jongens of zij de cake hadden opgegeten. Ze zweerden mij dat dit niet het geval was. Cezanne zat op een stoel aan tafel naar buiten te kijken. ‘Nee, het zal toch niet!’ riep ik. Wij hebben echter nooit kunnen bewijzen dat zij het was, maar ze zat wel aan tafel, de cake was weg en het bord was schoon. Geen kruimeltje lag er nog. Maar hoe kon zij met dat logge lijf op tafel klimmen?

Cezanne had  een hekel aan wandelen.  Elke hond wordt gek als ze uitgelaten worden, onze Vlees had er een bloedhekel aan. Als pup wilde ze al niet lopen en ging ze zitten. Dan pakte ik haar op en droeg haar mee naar huis. Ze was ook nog zo klein. Maar het werd alleen maar erger. Zodra het tijd was om naar buiten te gaan, verroerde ze geen haar en kneep ze haar ogen extra hard dicht, zo van ‘neehee ik slaap nog, laat me met rust’. We moesten haar halsband om doen terwijl mevrouw gewoon doorsliep en na een paar rukjes aan de riem sprong ze met een diepe zucht en een knor van de bank af. Het liefst deed ze haar behoefte net voor de deur om gelijk weer naar binnen te kunnen, maar dat mocht natuurlijk niet. Nee, we liepen altijd netjes tot buiten het dorp waar ze in het groen bij de sloot haar behoefte kon doen. Onderweg bleef ze wel tien keer stokstijf staan, waardoor er een tafereel ontstond van een chagrijnige stilstaande hond en een vrouwtje, die haar uit alle macht motiveerde om mee te lopen. Uiteindelijk sjokte ze dan wel weer mee, waarschijnlijk om mij een plezier te doen. Wie laat wie nu uit? Ik vond het heerlijk om langs de weilanden te lopen tot het weitje met de koeien en dan weer terug. Maar met een hond die tegen haar zin mee sjokte was het plezier in wandelen een stuk minder geworden. Als ze echter met de auto mee mocht veranderde ze in een ware tornado. Dat vond ze heerlijk, dus kreeg ik het lumineuze idee om op mijn vrije dagen de hond in de auto te zetten en naar een wandelplekje buiten het dorp te rijden. Daar sprong ze dan vrolijk uit de auto en mocht los rennen. Dat vond ze wel prettig, maar zodra ze al haar behoeften had gedaan rende ze weer terug naar de auto en bleef voor het portier wachten tot ze er weer in kon. Nee, lopen was beslis niet haar favoriete bezigheid.

We hebben Cezanne één keer in een hondenhotel gedaan toen we op vakantie gingen. Dat was voor haar én voor ons een nare ervaring. Ze was super chagrijnig toen we haar op kwamen halen. Het duurde twee dagen voordat ze weer normaal deed tegen ons. Toen had ze het ons ‘vergeven’, maar ze werd ook nog doodziek. Kennelhoest! Het arme beestje heeft het gelukkig gered met dank aan onze dierenarts, en we beloofden haar dat we haar nooit meer naar zo’n plek zouden brengen. Onze vakanties beperkten we dan ook tot Nederland in vakantiehuisjes waar zij mee mocht. Een keer gingen we een weekendje weg in een hotel. Wat moesten we nu met Cezanne? We besloten om haar thuis te laten. Dan kon ze lekker in haar eigen huis blijven. De buurvrouw zou haar eten geven en met haar wandelen. De lichten gingen met een timer aan en uit en we lieten de radio aan voor wat achtergrond geluid. Eén nachtje kon ze wel alleen blijven. Nadat we haar ’s morgens hadden uitgelaten, geknuffeld en afscheid genomen vertrokken we. Ik had op alle banken dekens gelegd, want ik wist dat ze niet op haar eigen stoel zou gaan liggen. Tegen de middag kwam de buurvrouw om haar uit te laten, ondanks dat we zeiden dat ze pas ’s avonds hoefde te komen. Ze vond het zo zielig. Ze heeft het uiteindelijk opgegeven. Er was geen beweging in te krijgen. Cezanne keek haar alleen maar aan met een blik ‘Ik ben al uit geweest. Laat me met rust.’ Die avond wilde ze wel even mee, maar liep na haar gedane zaken op de hoek van de straat gelijk terug naar huis. De buurvrouw mee trekkend.

Cezanne lag het liefst bij ons op de bank, maar daar was niet altijd plaats voor, en dan moest ze op haar eigen stoel, die overigens naast de bank stond. Ze mocht trouwens alleen op de bank als haar dekentje er lag. Dat wist ze, dus als dIMAG2818e jongens niet beneden waren legde ik het dekentje naast me op de bank en dan mocht ze daarop komen liggen. Dat deed ze dan ook dankbaar en als ze eenmaal in de goede houding lag, dan knorde ze van plezier en genot. Als we weggingen legde ik altijd dat dekentje op de bank. We kwamen er echter al gauw achter dat mevrouw lekker op de andere bank of op de kussens ging liggen. Ze wist dat het niet mocht, dus als ze de auto hoorde sprong ze van de bank zonder deken af en ging gauw op de andere liggen. Soms hoorde ze ons te laat en dan sprong ze snel van de bank af en deed of ze ons begroette. We zagen echter een afdruk en het leer voelde warm aan. Maar net als die cake, konden we het niet bewijzen. We hebben haar  nooit op heterdaad betrapt.

Luisteren deed ze wanneer het haar uitkwam. Alleen als ik mijn stem verhief dan luisterde ze wel, maar niet van harte. Michel en de jongens hadden weinig over haar te zeggen. Meestal negeerde ze hen als ze zeiden dat iets niet mocht. Ze keek dan stoïcijns voor zich uit of bleef gewoon doen waar ze mee bezig was. Soms draaide ze zich gewoon om en keek de andere kant op.

Omdat ze altijd bij ons in de buurt wilde zijn lag ze ook vaak in de weg. Ze wilde noIMAG0186_1 (1)oit op de grond liggen, behalve als we gingen stofzuigen. Dan lag ze precies daar waar wij bij moesten. Als we haar dan weg stuurden stond ze mopperend op om een meter verderop te gaan liggen. Als wij bij ons huisje in de tuin zaten of op de steiger dan lag zij breeduit op het bruggetje, waardoor we over haar heen moesten klimmen of om moesten lopen. Ondanks haar afkeer voor bewegen, sjokte ze in huis of in de tuin heel wat af. Alleen maar om bij ons in de buurt te zijn. Eens kreeg ik een opmerking van iemand dat Cezanne op al onze foto’s stond en inderdaad, op elke foto van de tuin, in huis, of foto’s van visite, ergens in een hoek zie je altijd een zwart lijf. Ze wist zich altijd zo te plaatsen dat ze binnen lensbereik lag of zat. Tijdens mijn ziekte hebben we maanden samen op de bank doorgebracht. Ze hield me warm en het was zo heerlijk om haar logge maar gespierde lijf te knuffelen. Ze was mijn maatje. Ons maatje. Ze snurkte als een bezetene, ze liet scheetjes, waarvoor we de kamer uit vluchtten, ze liep je altijd voor de voeten, we konden op haar mopperen, en zij op ons, maar wat hielden we van elkaar.

En toen werd zíj ziek. Ik merkte dat ze moe was. Het lopen ging steeds zwaarder. Hoewel Michel er een hekel aan had dat ze haar behoefte in de tuin deed, liet ik haar toch gewoon in de tuin als ze daarom vroeg. Haar drolletjes begroef ik gewoon en over haar plasjes gooide ik een emmer water. Verschillende kuren, pillen en prikjes, niets hielp. Die week ging ik op bedevaart naar Lourdes. Ik kreeg een berichtje van thuis dat het slecht ging met Cezanne. De zaterdag dat ik thuis kwam leefde ze echter weer wat op en at het eten dat ik haar voerde. Michel en de jongens zeiden dat ze al twee dagen niet meer had gegeten. Zondag lag ze met haar hoofd op mijn schoot en ergens wist ik dat het een aflopende zaak was, maar ik bleef hopen. Maandag liet ze voor het eerst een plasje lopen terwijl ze lag te slapen. Toen wist ik dat ze niet meer beter zou worden. Die avond gingen we met haar naar de dierenarts. Omdat ze niet meer kon lopen legden we haar in haar mand, waar ze tijdens haar leven amper in had gelegen. Bij de dierenarts zei de dokter dat ze een tumor had. Ze adviseerde ons om haar in te laten slapen. Ik belde de jongens en zei dat Cezanne niet meer beter kon worden. Ze moesten zich op het ergste voorbereiden. In het dierenhospitaal werden we naar een kamertje gebracht, gezellig ingericht met stoelen, matjes en kleedjes. We legden Cezanne op een kleedje en ik ging op de grond naast haar liggen. Ik aaide haar kop en fluisterde: ‘ga maar meisje en dank je voor al die mooie jaren dat je bij ons was.’ Ze keek me droevig aan en bewoog nog één keer haar kop tegen mijn hand. De dokter kwam met het prikje en binnen een minuut was het over. Ze was maar acht jaar geworden. We legden haar voorzichtig terug in haar mand en reden in stilte naar huis. Niets zeggend. Niets voelend. Thuis stonden de jongens te wachten. We huilden met ons allen. Voorzichtig wikkelden we ons hondje in haar lievelingsdekentje en begroeven haar die troosteloze donkere avond. Het was 5 december 2016. Het had een vrolijk Sinterklaas dineetje moeten worden.

1480860615900Ik heb maanden lang gehuild. De pijn, het verdriet, het gemis. Het was bijna ondraaglijk. Nu ik dit schrijf huil ik weer. Ik wil geen andere hond meer. Het is goed zo. De pijn van het verlies is gesleten en gelukkig lachen we samen nog vaak wanneer we herinneringen aan Cezanne ophalen. Toch zijn er nog steeds momenten dat ik om haar huil. Ik zie haar nog steeds door het huis sjokken of ergens liggen. Ze is nog steeds bij ons.

2 thoughts on “Ons maatje

  1. Een platina mandje heeft Cezanne gehad. Liefdevoller dan liefdevol. Huisdieren wandelen ons hart in en blijven daar. Uit liefde neem je afscheid omdat het beter is omdat ze ziek zijn en pijn hebben. Maar oh, wat doet dat pijn. Dankuwel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Scroll To Top